Industrialisatie versnelt verduurzaming, maar materiaalkeuzes maken het verschil
Bas Hasselaar van DGMR over de combinatie van industrialisatie, materiaalkeuzes en Paris Proof bouwen.
De bouwsector staat voor een dubbele opgave. Er moeten in hoog tempo veel nieuwe woningen en gebouwen worden gerealiseerd, terwijl tegelijkertijd de CO₂-uitstoot drastisch omlaag moet. Industrieel en prefab bouwen worden vaak gepresenteerd als dé manier om beide opgaven met elkaar te verenigen. Volgens Bas Hasselaar, adviseur duurzaam bouwen en bouwfysica bij DGMR, is dat maar ten dele waar. 'Prefab is geen doel op zich. Het is een manier van bouwen die het mogelijk maakt om duurzamere keuzes ook daadwerkelijk op grote schaal toe te passen.'
Als adviseur duurzaam bouwen en bouwfysica houdt Hasselaar zich dagelijks bezig met de vraag hoe gebouwen energiezuiniger, gezonder en milieuvriendelijker kunnen worden. Daarbij kijkt hij veel breder dan alleen naar de energieprestatie. 'Ik probeer gebouwen duurzamer te maken op het gebied van milieu, energieprestatie en binnenmilieu. Daarbij raak je automatisch disciplines als constructie, installatietechniek en materiaalgebruik. Uiteindelijk draait het om het totale gebouw.'
Nieuwbouw biedt de grootste kansen
Hoewel industrieel bouwen ook bij renovatie regelmatig wordt genoemd als oplossing, ziet Hasselaar daar duidelijke beperkingen. Renovatie vraagt vaak om maatwerk, terwijl industrialisatie juist gebaat is bij herhaling en standaardisatie. Hij verwijst naar de ambities van Stroomversnelling, een initiatief dat tien jaar geleden al inzette op productie van complete gevelelementen en deze in één keer tegen bestaande woningen te plaatsen. 'Dat was een interessant concept, maar bestaande woningen blijken in de praktijk veel minder uniform dan je zou hopen. Bewoners hebben door de jaren heen ramen vervangen, uitgebouwd, de spouw geïsoleerd of andere aanpassingen gedaan. Daardoor wordt iedere woning toch weer net anders.'
Ook bouwfysisch kent renovatie zijn beperkingen. Binnenisolatie verkleint de beschikbare woonruimte en kent uitdagingen op het gebied van aansluiting aan vloer en dak. Buitenisolatie levert technisch vaak de beste oplossing op, maar stuit regelmatig op perceelsgrenzen of stedenbouwkundige beperkingen. Spouwisolatie is vaak een bruikbare tussenoplossing, maar kent eveneens aandachtspunten rond vocht en ventilatie. 'De eenvoudigste maatregelen zijn vaak het vervangen van kozijnen en glas, het verbeteren van de dakisolatie en het isoleren van de kruipruimte. Juist de gevel blijft vaak de lastigste opgave. En veel van die renovatiemaatregelen lenen zich minder goed voor prefabricage.'
Daarom ziet Hasselaar de grootste kansen voor industrieel bouwen voorlopig vooral in de nieuwbouw. 'Dat zeg ik ergens met spijt, want ook de renovatieopgave is enorm. Maar als je echt wilt opschalen, sneller wilt bouwen en kosten wilt verlagen, heb je een zekere mate van eenvormigheid nodig. Hoe vaker je dezelfde detaillering, maatvoering en materialen kunt herhalen, hoe groter de voordelen van industrialisatie worden.'
Materiaal wordt de nieuwe klimaatopgave
De aandacht voor energiezuinig bouwen is de afgelopen jaren sterk toegenomen. Dankzij de strengere regelgeving worden gebouwen steeds energie-efficiënter. Daarmee verschuift volgens Hasselaar de aandacht steeds meer naar de klimaatimpact van materialen. Hij verwijst naar het concept Paris Proof, dat door de Dutch Green Building Council werd ontwikkeld als vertaling van de klimaatdoelen uit het Akkoord van Parijs. 'Paris Proof draait uiteindelijk om het beperken van de totale CO₂-uitstoot van gebouwen. Die uitstoot bestaat uit twee onderdelen: het energiegebruik tijdens de gebruiksfase en de uitstoot die samenhangt met de toegepaste materialen. Juist doordat gebouwen steeds energiezuiniger worden, neemt het relatieve aandeel van materialen sterk toe.' Hij schetst een eenvoudig voorbeeld. 'Waar vroeger zeventig tot wel 90% procent van de totale uitstoot tijdens de levensduur uit energiegebruik kwam, zie je bij moderne energiezuinige of zelfs energieneutrale gebouwen dat deze is verhouding omgedraaid. Dan wordt de uitstoot van materialen ineens veel bepalender. Materiaalgebruik wordt daarmee misschien wel de belangrijkste duurzaamheidsopgave van de komende jaren.'
Prefab en biobased versterken elkaar
Juist op dat punt ziet Hasselaar een sterke koppeling tussen industrieel bouwen en biobased materialen. Volgens hem versterken beide ontwikkelingen elkaar. 'Biobased bouwen leent zich uitstekend voor prefabricage. Je werkt grotendeels met droge bouwprocessen, zonder lange droogtijden. In een geconditioneerde fabriek kun je bovendien veel nauwkeuriger produceren dan op de bouwplaats. Daardoor kun je met kleine toleranties werken en bouw je veel sneller wind- en waterdicht. Zeker bij biobased materialen is dat een groot voordeel.'
Daarnaast levert prefab nog andere duurzaamheidsvoordelen op. Doordat onderdelen onder gecontroleerde omstandigheden worden geproduceerd, neemt materiaalverlies af, ontstaan minder faalkosten en kan de logistiek efficiënter worden ingericht. De materiaalkeuze blijft volgens Hasselaar daarbij wel doorslaggevend. 'Prefab maakt een gebouw niet automatisch duurzaam. Als je dezelfde CO₂-intensieve materialen blijft gebruiken, verandert er relatief weinig. De echte winst ontstaat wanneer je industrialisatie combineert met materialen die een lage carbon footprint hebben.' Daarbij denkt hij uitdrukkelijk aan hout en biobased isolatiematerialen zoals hennep en stro. 'Traditionele materialen als beton, staal en baksteen hebben een relatief hoge CO₂-uitstoot. Biobased materialen nemen tijdens hun groei juist CO₂ op, zijn vaak eenvoudiger te verwerken en dragen bovendien bij aan een gezond binnenklimaat. Vanuit Paris Proof oogpunt zijn dat dus heel logische keuzes.'
Van concept naar praktijk
Die combinatie van houtbouw, industrialisatie en Paris Proof stond ook centraal in het Massive Timber Office Concept, een samenwerking tussen Woody Builders, GROUP A architects en DGMR. Het initiatief bouwde voort op eerdere studies waarin werd onderzocht hoe een Paris Proof appartementengebouw kon worden ontworpen. Vervolgens ontstond de vraag of dezelfde uitgangspunten ook konden worden toegepast op een industrieel ontwikkeld kantoorgebouw in hout. 'Woody Builders beschikte al over een bouwconcept. Wij hebben gekeken hoe we dat concept konden combineren met de Paris Proof-ambities. Onder welke voorwaarden kun je een kantoor ontwerpen dat zowel industrieel geproduceerd als Paris Proof is? Dat hebben we uitgewerkt als een ontwerpstudie.' De resultaten werden gepresenteerd tijdens de Provada van vorig jaar. Sindsdien hebben verschillende partijen belangstelling getoond voor het concept. ‘We hebben gesprekken gevoerd met verschillende stakeholders en er komen regelmatig vragen over het concept. Je merkt dat het onderwerp steeds vaker terugkomt. Dat is een positieve ontwikkeling.'
Bewustwording is de volgende stap
Volgens Hasselaar zal de sector de komende jaren nog veel nadrukkelijker moeten sturen op de CO₂-prestatie van gebouwen. Daarom is DGMR aangesloten bij het recente CO₂ Commitment, waarin verschillende adviesbureaus hebben afgesproken de klimaatimpact van gebouwen explicieter inzichtelijk te maken. 'We willen opdrachtgevers veel beter laten zien hoe hun gebouw scoort ten opzichte van de Paris Proof-ambities. Uiteindelijk proberen we met elkaar de klimaatverandering zoveel mogelijk te beperken. Dat vraagt niet alleen om energiezuinige gebouwen, maar zoals eerder gezegd juíst ook om veel bewustere materiaalkeuzes.' De urgentie neemt volgens hem alleen maar toe. 'De noodzaak is groter dan ooit. We moeten dit serieus nemen en de koe bij de horens vatten. Industrieel bouwen kan daar een enorme bijdrage aan leveren, maar alleen als we het combineren met materialen en ontwerpkeuzes die de CO₂-uitstoot daadwerkelijk verlagen. Dáár zit uiteindelijk de grootste versnelling.'



