Hybride bouwen vraagt om slimme materiaalkeuzes, niet om materiaalideologie
Dick van Ginkel van TBI WOONlab over hybride bouwen, losmaakbaarheid en het juiste materiaal op de juiste plek.
Wie Paris-proof wil bouwen, moet verder kijken dan één duurzaam materiaal of één innovatieve techniek. De grootste winst zit in het slim combineren van materialen, het ontwerpen voor een lange levensduur én het mogelijk maken van hergebruik. Volgens Dick van Ginkel, innovatiemanager bij TBI Woonlab, is prefab daarbij een belangrijk hulpmiddel, maar zeker geen doel op zich.
Wie vraagt wat nodig is om Paris-proof te bouwen, krijgt van Dick van Ginkel een onverwacht antwoord. 'Eigenlijk niet meer bouwen. Dat zou vanuit klimaatperspectief de beste oplossing zijn.' De woningnood maakt die keuze onmogelijk. Daarom ligt de uitdaging volgens hem in het zo verantwoord mogelijk realiseren van de woningen die Nederland nodig heeft. Dat vraagt om bewuste materiaalkeuzes en woningconcepten die zowel bijdragen aan het oplossen van het woningtekort als aan het terugdringen van de milieubelasting. 'Er is geen heilige graal. De één roept biobased, de ander heeft het over CO₂-neutraal beton. Wij zoeken juist de middenweg. Je moet het juiste materiaal op de juiste plek toepassen en accepteren dat je dat laatste beetje CO₂-uitstoot niet volledig kunt voorkomen.'
Kiezen voor de beste combinatie
Van Ginkel ziet dat de discussie over verduurzaming vaak te zwart-wit wordt gevoerd. Volgens hem ontstaat de laagste milieu-impact juist door verschillende materialen bewust te combineren. 'Bij een appartementengebouw kiezen we bijvoorbeeld in de basis voor beton in de woningscheidende wanden. Dat gaat lang mee, is brandveilig en robuust. Hierbij zeg ik bewust niet dat er met hout geen brandveilige constructies kunnen worden gemaakt, daar heb je alleen meer aanvullende voorzieningen -mogelijk sprinklers- en materialen -gips voorzetwanden- voor nodig. Voor de binnenspouwbladen en de niet-dragende binnenwanden passen we juist hout en andere biobased materialen toe. Zo kijk je echt naar de levensduur van diverse gebouw onderdelen, en met een schuin oog naar mogelijke functie aanpassingen in de toekomst.’
Die afweging vraagt volgens hem om een brede blik. 'Je moet je volledige gereedschapskist gebruiken en niet blindstaren op één materiaal. Binnen mijn functie zijn we vaak een beetje Zwitserland. Onafhankelijk kijken wat op welke plek de beste, betaalbare en meest robuuste oplossing is. Ook wanneer beton noodzakelijk is, valt volgens Van Ginkel nog veel milieuwinst te behalen. TBI breed stuurt men actief op betonmengsels met minder cement zogenaamde koplopers waarde zoals Het Betonakkoord voorschrijft en experimenteert inmiddels ook met cementloze vloeren. 'We gaan niet zonder beton kunnen. Dan moeten we ervoor zorgen dat het beton dat we gebruiken de laagst mogelijke milieu-impact heeft.'
De duurzaamste woning staat er vaak al
Hoewel Van Ginkel zich binnen TBI WOONlab vooral richt op nieuwbouwconcepten, benadrukt hij dat de grootste klimaatwinst vaak in de bestaande gebouwvoorraad ligt. 'We hebben jarenlang woningen gebouwd die lastig aan te passen zijn. Terwijl we juist veel meer moeten nadenken over flexibiliteit. Woningen worden nu gesplitst, gebouwen worden opgetopt en bestaand vastgoed kan vaak veel slimmer worden gebruikt. Dat levert de laagste CO₂-uitstoot op, omdat die gebouwen er al staan.' Ook nieuwbouw moet volgens hem veel adaptiever worden ontworpen. 'We bouwen nog te vaak voor één specifieke doelgroep. Terwijl je eigenlijk moet nadenken hoe een woning zich kan aanpassen aan de bewoner. Kun je later een wand verwijderen zodat je een functie van de ruimte kunt wijzigen? Kun je de woning of appartement levensloopbestendig maken? Dat soort keuzes bepalen uiteindelijk ook hoe duurzaam een gebouw werkelijk is.'
Losmaakbaarheid moet net zo vanzelfsprekend worden als bouwen
Een belangrijke blinde vlek ziet Van Ginkel in het ontbreken van aandacht voor hoogwaardig hergebruik. 'We zijn niet gewend om gebouwen zo te ontwerpen dat ze later weer uit elkaar kunnen. Terwijl grondstoffen steeds schaarser en kostbaarder worden. Eigenlijk zou bij iedere bouwvergunning ook een demontagehandleiding moeten horen. Vergelijkbaar met het demonteren van een IKEA-kast door de handleiding achterstevoren te volgen. ' Volgens hem is vooral de manier waarop sinds de wederopbouw is gebouwd een probleem geworden. ‘Gebouwen van voor 1945 kun je vaak relatief eenvoudig demonteren. Je begint bovenaan met de dakpannen en haalt materialen één voor één los. Daarna zijn we steeds meer gaan plakken, kitten en purren. Daarmee blokkeren we eigenlijk grotendeels het tweede leven van materialen.' Om dat te veranderen is meer nodig dan technische innovatie. 'We moeten bouwmaterialen weer waarde geven, ook aan het einde van hun eerste levensduur. Ons economische systeem is daar nu niet op ingericht. Daarnaast zijn we simpelweg niet opgeleid om zo te ontwerpen en te bouwen. Dat vraagt een andere manier van denken.'
Prefab versnelt alleen als ook de materiaalkeuzes veranderen
Prefab speelt volgens Van Ginkel een belangrijke rol in de verduurzaming en versnelling van de woningbouw, maar de fabriek alleen maakt een gebouw nog niet Paris-proof. 'Ik geloof niet zo in complete woningfabrieken gezien de conjectuurgevoeligheid. Wel in prefab componenten die je op de bouwplaats assembleert. Daarvoor moeten we veel meer standaardiseren, bijvoorbeeld in aansluitingen. Het modulaire onderdelen platform van bijvoorbeeld de auto-industrie laat zien hoeveel voordeel dat oplevert.' Toch ziet hij ook binnen prefab nog veel verbetermogelijkheden. 'Prefab is niet automatisch milieutechnisch beter. In veel elementen worden nog steeds grote hoeveelheden virgin grondstoffen gebruikt of allerlei materialen aan elkaar gelijmd. Dan maak je hergebruik juist moeilijk.' Volgens hem moet de prefabsector daarom veel nadrukkelijker verantwoordelijkheid nemen voor de volledige levenscyclus van haar producten. 'Je moet jezelf afvragen welke materialen je gebruikt, wat de CO₂-uitstoot daarvan is en hoe je zorgt dat grondstoffen een tweede leven krijgen. Misschien moet je onderdelen zelfs weer terugnemen om ze in de materiaalkringloop te houden. Die discussie wordt mijn inziens nog veel te weinig gevoerd.'
Meer sturen op prestaties dan op traditionele recepten
Innovatie wordt volgens Van Ginkel nog te vaak afgeremd doordat regelgeving uitgaat van bestaande materialen en bekende samenstellingen. Hij noemt Portland cementloze kanaalplaatvloeren als voorbeeld. Binnen TBI worden die samen met partners ontwikkeld en getest, maar toepassing blijkt niet overal mogelijk, ondanks vergelijkbare prestaties. 'We zouden veel meer naar prestaties moeten kijken dan naar traditionele normen of recepten. Als een alternatief dezelfde prestaties levert, waarom houden we dan vast aan de oude samenstelling? Alleen zo ontstaat ruimte voor echt duurzame innovaties.'



