De woonvraag moet leidend zijn, niet het aantal woningen
Wim Heerke Spronk over de woningopgave
De oplossing voor de woningcrisis ligt niet in het halen van een productiedoelstelling van 100.000 woningen per jaar. Volgens Wim Heerke Spronk, algemeen directeur van Green Structures Group begint het bij een veel fundamentelere vraag: voor wie bouwen we eigenlijk? Zolang de woningbouw zich blijft richten op aantallen in plaats van op de woonvraag, blijven kansen liggen om sneller, slimmer én duurzamer te bouwen.
We weten al lang hoe het moet
Spronk heeft weinig geduld met de eindeloze discussies die de woningbouw al jaren kenmerken. ‘We praten er al tien jaar over. We weten allang hoe het moet, sterker nog, het kan allang. Maar blijkbaar vinden we het prettig om telkens opnieuw het wiel uit te vinden. Daarmee vertragen we vooral onszelf.’ Volgens hem is de sector inmiddels ver voorbij de fase waarin de haalbaarheid van industrieel bouwen nog ter discussie staat. De technieken zijn ontwikkeld, de fabrieken draaien en de kwaliteit is bewezen. Toch blijven procedures, onderzoeken en besluitvorming de snelheid uit het proces halen. ‘Gemeenten beschikken lang niet altijd over voldoende kennis en schakelen adviseurs in. Vervolgens ontstaan er weer onderzoeken, nieuwe rapporten en nieuwe trajecten. Dat leidt allemaal tot vertraging. Ik denk ook dat er partijen zijn die daar belang bij hebben. Ondertussen verandert er voor de woningzoekende niets. Ons systeem is nog steeds ingericht op traditionele bouw, terwijl industrieel bouwen allang volwassen is.’
De woonvraag als vertrekpunt
Waar politiek en media vooral spreken over de bouw van 100.000 woningen per jaar, vindt Spronk dat de discussie verkeerd wordt gevoerd. ‘Iedereen heeft het over die 100.000 woningen. Maar zodra je vraagt wat voor woningen dat dan moeten zijn, blijft het stil. Het gaat niet om aantallen, maar om de woonvraag.’ Volgens hem ligt de grootste behoefte niet bij nieuwe eengezinswoningen, maar bij starters, studenten, senioren, arbeidsmigranten en mensen met een zorgvraag. Juist voor die groepen moeten passende woningen worden ontwikkeld. ‘Als je de juiste woningen bouwt, ontstaat vanzelf doorstroming. Senioren verhuizen naar een levensloopbestendige woning, waardoor een gezinswoning vrijkomt. Starters krijgen kansen en gezinnen kunnen weer doorstromen. Dan los je meerdere problemen tegelijk op.’ Die gedachte vormt ook het uitgangspunt van Green Structures. Niet één standaardwoning, maar verschillende woonproducten die inspelen op specifieke doelgroepen, van compacte starterswoningen tot zorgwoningen en gestapelde woonconcepten voor binnenstedelijke locaties.
Duurzaamheid moet de norm zijn
Ook over duurzaamheid is Spronk uitgesproken. Volgens hem wordt er nog te veel gesproken over ambities die in de praktijk allang haalbaar zijn. ‘Ik stoor me eraan dat we de mond vol hebben van circulair en biobased bouwen, maar het vervolgens niet doen. Voor ons is maximaal biobased en circulair bouwen niet eens een unique selling point. Dat vinden wij gewoon normaal.’ Hij noemt de prestaties van de woningen die Green Structures produceert. ‘Onze woningen hebben een MPG van ongeveer 0,4, een Building Circularity Index van 70 procent, een losmaakbaarheidsindex van 88 procent en bestaan voor ongeveer 85 procent uit biobased materialen. Terwijl de landelijke ambitie richting 2030 uitgaat van ongeveer 30 procent biobased. Dan denk ik: waarom praten we nog over die ambitie? Het kan nu al.’ Volgens hem laten juist industriële bouwers zien dat duurzaamheid, betaalbaarheid en snelheid prima samen kunnen gaan.
Waarom steeds opnieuw hetzelfde beoordelen?
Een andere belangrijke rem op versnelling is volgens Spronk de manier waarop vergunningen worden verleend. ‘We keuren iedere keer opnieuw hetzelfde prototype goed. Onze woningen zijn technisch identiek, ook al krijgen ze een andere gevel of een andere uitstraling. Waarom moet daarvoor steeds opnieuw het hele technische traject worden doorlopen?’ Hij wijst op Duitsland, waar al veel vaker met typegoedkeuringen wordt gewerkt. ‘Als een woning eenmaal technisch is goedgekeurd en je bouwt exact dezelfde woning ergens anders, waarom zou je dan weer helemaal opnieuw beginnen? Daar valt ontzettend veel tijd te winnen. Gelukkig zie je ook in Nederland dat daar steeds serieuzer naar wordt gekeken.’
Leren van de maakindustrie
Volgens Spronk moet de bouwsector zich minder gedragen als een projectorganisatie en meer als een maakindustrie. Dat betekent standaardiseren waar het kan en variëren waar het moet. ‘Ik zeg weleens dat de verandering die de bouw nodig heeft, niet uit de bouw zelf komt, maar uit de maakindustrie.’ Hij vergelijkt het met de productie van vrachtwagens. ‘Kijk naar de auto-industrie. Die ontwikkelen niet voor iedere vrachtwagen een compleet nieuw ontwerp. Ze werken met een beperkt aantal vaste systemen en onderdelen die steeds opnieuw worden gecombineerd. Dat doen wij ook. Installaties en technische detailleringen liggen grotendeels vast, terwijl de woningen er voor verschillende doelgroepen toch heel verschillend uit kunnen zien.’ Volgens hem gebeurt in de traditionele bouw nog te vaak precies het tegenovergestelde. ‘We bedenken steeds opnieuw dezelfde detailleringen. Dat kost tijd, geld en capaciteit. In een fabriek produceer je onder geconditioneerde omstandigheden met een constante kwaliteit en veel minder faalkosten.’
De toekomst komt uit de fabriek
Volgens Spronk staat de omslag naar industrieel bouwen nog maar aan het begin. Niet omdat de techniek zich nog moet bewijzen, maar omdat de bouwsector steeds meer kenmerken van de maakindustrie overneemt. Dat is ook een ontwikkeling die volgens hem steeds duidelijker zichtbaar wordt op vakbeurzen als PREFAB. Tegelijkertijd vindt hij dat de term prefab de lading steeds minder dekt. ‘Je hebt tweedimensionale prefab-elementen die op de bouwplaats worden geassembleerd, maar ook volledig afgewerkte woningen die compleet uit de fabriek komen. Dat zijn twee verschillende werelden. Misschien heet de beurs over een paar jaar wel gewoon Industrieel Bouwen. Dat zou beter passen bij waar de sector naartoe beweegt.’
Voor Spronk is die ontwikkeling onvermijdelijk. Niet alleen omdat industrieel bouwen sneller en duurzamer is, maar ook omdat de sector kampt met een structureel tekort aan vakmensen. ‘Als we de woningopgave alleen traditioneel willen oplossen, gaat dat simpelweg niet lukken. Er zijn onvoldoende handjes. Industrieel bouwen is daarom geen keuze meer, maar een noodzaak.’ Zijn boodschap aan de sector is dan ook helder. ‘We hoeven niet langer te discussiëren óf het kan. De vraag is alleen nog hoe snel we bereid zijn ons systeem erop aan te passen.’



